Menu
Vereniging Trainingen Media VNVA events

Handboek Eetstoornissen

Recensie voor de VNVA door José Konings (huisarts)

Inleiding

Eetstoornissen kwamen eeuwen geleden al voor, maar Nederlandstalige publicaties zijn pas vanaf 1970 verschenen. De eerste druk van het Handboek Eetstoornissen is uit 2002. Daarna zijn o.a. de Nederlandse Academie voor Eetstoornissen (NAE) en de Vlaamse Academie voor eetstoornissen (VAE) in resp. 2004 en 2011 opgericht en heeft de kennis over voedings- en eetstoornissen zich sterk ontwikkeld. In 2017 is de Zorgstandaard eetstoornissen verschenen.

Het aantal patiënten met een eetstoornissen neemt niet af. Zo zijn er trends dat eetstoornissen op jongere leeftijd ontstaan, chronisch worden, ook op latere leeftijd tot ontwikkeling komen en bij jongens en mannen toenemend voorkomen.

De doelgroep van het handboek bestaat uit professionele behandelaars, artsen, psychologen, psychotherapeuten en psychiaters, verpleegkundigen en sociotherapeuten, begeleiders van zelfhulpgroepen en nazorgzelfhulpgroepen, maar ook ouders en naasten.

Beschrijving

In het handboek worden in 30 hoofdstukken (387 pagina’s) de thema’s kenmerken, achtergronden, preventie en vroegtijdige signalering, behandeling, herstel en terugvalpreventie, bejegening en ethische vraagstukken besproken.

Per thema worden verschillende eetstoornissen uit de DSM-5 besproken, o.a. anorexia nervosa (AN), boulimia nervosa (BN), Binge Eating Disorder (BED), vermijdende/restrictieve voedselinnamestoornis (ARFID). Het meest voorkomende eetprobleem, obesitas, is niet in de DSM-5 opgenomen omdat het in zijn algemeenheid niet wordt beschouwd als veroorzaakt door een psychische disfunctie en wordt in het boek niet besproken. Wel komt ernstig overgewicht bij BED aan de orde. ZVG (Zelf Verwondend gedrag) is in DSM-5 als apart syndroom vermeld en wordt in het handboek besproken.

Eetstoornissen in niet-westerse landen worden kort aangestipt (p 18). Zo is de prevalentie van BN en BED maar ook die van AN in China en Japan vergelijkbaar met die in Europa. In Afrika en Zuid-Amerika komt AN zeer weinig voor.

Historische ontwikkelingen als die van “wondermeisjes” die zich na de middeleeuwen voor geld hongerend tentoonstelden naar hysterische en anorectische patiënten worden beschreven in het kader van secularisering en medicalisering.

Uit onderzoek naar de belangrijkste risicofactoren voor eetstoornissen wordt onderscheid gemaakt tussen genetische, sociale en psychische factoren. Bij deze laatste categorie gaat het om gebrek aan zelfvertrouwen en eigenwaarde, negatieve lichaamsbeleving, impulsiviteit, negatieve gevoelens, perfectionisme, faalangst en zelfkritiek. Ook neuropsychologische factoren als afwijkende denkstijlen en grote aandacht voor details spelen een rol. Omdat er vaak sprake is van comorbiditeit bijvoorbeeld depressies, angst-en dwangstoornissen en persoonlijkheidsproblemen wordt ook hieraan ruim aandacht besteed.

Preventieprogramma’s die zich beperken tot psycho-educatie over eetstoornissen blijken onvoldoende effectief. Het gaat om universele preventie: het versterken van beschermende factoren en gezondheidsbevordering voor ALLE jongeren (p 113). Opvallend is dat dergelijke programma’s gericht zijn op de directe omgeving, terwijl macrosociale invloeden als de voedingsindustrie en dieetindustrie niet meegenomen worden (p 120).

Het leeuwendeel van de mensen met voedings-of eetstoornissen wordt In de gespecialiseerde en hoogspecialistische GGZ behandeld. Hiernaast is er een toenemend belangrijke rol weggelegd voor ervaringsdeskundigen en zelfhulpgroepen/ e-health (p 178).

Psychodiagnostiek en behandeling worden gedetailleerd beschreven. Voor somatische aspecten van voeding en het hervoedingssyndroom worden tabellen vanuit de Zorgstandaard eetstoornissen uit 2017 als illustratie gebruikt. Medicatie wordt pas in overweging genomen bij de groep met ernstige eetstoornissen, bij stagnatie in het therapieproces, bij onvolledig herstel en bij (dreigende) terugval (p 257).

Bij de verschillende behandelvormen wordt ook de hoepeltraining bij AN beschreven (p 288). Patiënten denken niet door een hoepel te passen terwijl dit wel degelijk mogelijk blijkt te zijn. De lichaamsbeeldstoornis bij AN zit kennelijk zo diep dat patiënten niet alleen denken dat hun lichaam dikker is dan het in werkelijkheid is, maar ze zien en voelen dat ook en houden onbewust rekening met hun onrealistische dikke omvang wanneer ze hun lichaam bewegen.

Helder wordt aangegeven hoe ZVG (zelfverwondend gedrag, voorheen “automutilatie”) en eetstoornissen beide vormen zijn van zelfbeschadigend gedrag waarbij een persoon opzettelijk schade toebrengen aan het eigen lichaam zonder de intentie om zichzelf het leven te benemen. Bij ZVG wordt de schade direct toegebracht (bijvoorbeeld krassen, snijden, branden, slaan), terwijl het bij eetstoornissen gaat om indirecte schade door extreme vermagering, eetbuien, purgeergedrag die geleidelijk lichamelijke schade veroorzaken (p 294).

Ook de functionele equivalentie van eetstoornissen en ZVG (symptoomverschuiving tijdens de behandeling) wordt toegelicht en geïllustreerd aan de hand van het vierkwadrantenmodel van Nock en Prinstein (p 295). Hierbij gaat het om bekrachtiging (positief of negatief) en de bron van de bekrachtiging (autonoom of sociaal). Een voorbeeld van autonome negatieve bekrachtiging is ZVG/braken om negatieve gevoelens te verminderen.

Conclusie

Het is een boek vol onderbouwde en gedetailleerde wetenswaardigheden over de verschillende eetstoornissen. Omdat er maar een klein gedeelte van de patiënten met een eetstoornis in de geestelijke gezondheidszorg terechtkomt is het zo belangrijk voor hulpverleners in de 1e en 2e lijn om eetstoornissen beter te leren herkennen. Dit boek kan daarbij helpen. Het boek is systematisch opgezet en toepasbaar als naslagwerk, en door de opzet met meerdere korte hoofdstukken ook geschikt om in zijn geheel door te nemen.

Het hoofdstuk over vroegtijdige signalering en behandeling is zeker voor huisartsen interessant. Eetstoornissen worden doorgaans niet spontaan worden gemeld en bij tijdsdruk in de spreekkamer komen ze niet gemakkelijk aan de orde. In het handboek worden overzichten gegeven van fysieke en psychische klachten die kunnen wijzen op een beginnende eetstoornis. Ook worden er aanbevelingen gedaan over laboratoriumonderzoek in de eerste lijn.

Kanttekeningen zijn dat de doelgroep zo breed is dat het soms onduidelijk is hoe medisch inhoudelijke beschrijvingen die benoemd worden geïnterpreteerd moeten worden (bijvoorbeeld de uitgebreide beschrijving van erythema ab igne door een hete kruik op de buikhuid, p 48). Verder vind ik de bespreking van de behandelvormen voor klinische practici erg uitgebreid. Ik vind het jammer dat de somatische complicaties van overgewicht en (morbide) obesitas niet worden beschreven in dit boek (p.230).

De schrijvers willen een actueel overzicht van kennis en ervaring die beschikbaar zijn wat betreft kenmerken, achtergronden en behandeling geven, met de hoop dat de lezers deze kennis kunnen inzetten bij het voorkomen, vroegtijdig diagnosticeren en behandelen van voedings- en eetstoornissen en het begeleiden van ouders en naasten. Hierin zijn ze mijns insziens goed geslaagd.

José Konings

21 juli 2021

9200000094984322
Sluiten
X Zoek